Hoop is wat anders dan verwachting. Bij verwachting weet je vaak wat er komt of wanneer het komt. Hoop is onduidelijker. Daarom is het vaak ook spannender, want je weet niet wat er van terechtkomt. Hoop kan wijzen op iets goeds of iets slechts. Hoop is echter vaak kansrijk: hoewel alle feiten in een bepaalde richting wijzen, kun je toch hopen dat iets anders uitpakt. Hoop is soms ook tegen beter weten in. Maar dan is het hoop die je gaande houdt, die het sprankje licht in de duisternis geeft. Hoop biedt perspectief, zonder hoop wordt het leven een stuk donkerder. Iets kan hopeloos lijken, maar helemaal zonder hoop, kan dat wel? Geloven is hopen. Het kan niet zonder. En hopen betekent doen; het zet je in beweging en maakt dat je vooruit kunt. Hoop is iets voor alle mensen, van alle leeftijden. En het is ook iets dat niet alleen in de kerk een plek heeft. Er zijn talloze vindplaatsen van hoop, in mensen, in situaties, in de schepping. En in de Bijbel.
In het Oude Testament is hoop [tiqwa] eigenlijk altijd hoop op iets goeds, op verbetering. Hoop is niet iets dat vastzit op mensen, maar op God en zijn beloften. Het volk Israël en hoop horen bij elkaar in het Oude Testament. De weg van dit volk wordt niet bepaald door het handelen van mensen, maar door hun hoop op God en Zijn handelen. God geeft zijn volk wel hoopvolle richtingaanwijzers, in de vorm van de Tien Geboden, voor een leven met hem. Die hoopvolle aanwijzingen roepen de mensen op tot een geloven in God als een hopen en vertrouwen op Hem. En van daaruit handelen naar de medemens. Hoop heeft dus ook heel direct te maken met in wie je vertrouwen stelt. Hoop die niet op God gevestigd is, is ijdele hoop. Dus hoop op bijvoorbeeld rijkdom (Ps. 52:9), op eigen gerechtigheid (Ez. 33:13) op mensen (Jer. 17:5), op politieke machten (Hos. 10:13, Jes. 31:1) legt het uiteindelijk af tegen hoop op God. Hoop is er voor de geringen, de mensen die geen rijkdom hebben (Job 5:16, Ps. 9:19). Omdat er hoop is kun je voort (Job 11:18). De psalmist gaat in zijn psalmen voortdurend heen en weer tussen hoop en vrees. Hoop op God en vrees voor mensen, voor vijanden, voor ziekte. Uiteindelijk wint de hoop het van de vrees, het vooruitzicht wint het van het drama (Ps. 42-43; Ps.119:114, 166).
In het Nieuwe Testament leeft hetzelfde beeld van hoop [elpis] als in het Oude Testament. Een belangrijke aanvulling is dat 'geloof hoop liefde' alle drie worden gezien als vrucht van de gave van de heilige Geest (1 Kor. 13:13). Dat zie je ook terug in het Franse woord voor hoop, ‘esperance', waarin de spiritus, de Geest letterlijk terugkomt. Hoop is gericht op iets dat niet zichtbaar is (Rom. 8:24), want zichtbaar hoort bij mensen, gebouwen, rijkdom. En dan zou het ijdele hoop blijken te zijn.
Er is ook een hele duidelijke lijn naar de wederkomst van Christus, de hoop in het Nieuwe Testament is daarop gericht en in gecentreerd. Jezus Christus is centrum en ankerpunt van de hoop. Hoop op God is hoop die, uiteindelijk, beantwoord wordt. Zelfs na de dood. Vooral Jezus' opstanding is dus een teken van hoop, een vindplaats voor hoop op de toekomst. De opstanding is hoop en verwachting, geloof en vertrouwen inéén.
Wordt vervolgd in de kerkdienst op de startzondag, 12 september. Het thema is dan “Vol van hoop”.
Deze tekst is overgenomen van de website van de PKN, en is bedoeld als inleiding op het thema van de startzondag.