Valkenboskerk, zondag 01 januari 2012
ds Paul Sanders
Jesaja 40:25-31 en Lukas 2:36-40
Met Oud en Nieuw maken we het gezellig - met oliebollen en met lekkere hapjes en misschien met champagne en met vuurwerk. Maar voor veel mensen heeft Oud en Nieuw ook iets serieus, want ze kijken terug naar het afgelopen jaar en ze denken na over wat ze te wachten staat.
Vroeger werd op oudejaarsavond soms Psalm 90 gelezen. Misschien hebt u dat ook wel meegemaakt. Voor mij werd het als kind daardoor wel iets te serieus. Want Psalm 90 is niet zo’n vrolijke psalm. We hebben er net een paar verzen van gezongen. Die psalm gaat erover dat onze levensjaren voorbijvliegen. Ons leven is als gras, dat al gauw weer verdort. We zijn er, en even daarna zijn we alweer weg. En in dat korte leventje van ons is het vooral moeite en verdriet. Wat heeft het allemaal voor zin? Leiden al onze inspanning en al onze moeite wel ergens toe?
Aan het einde van de psalm wordt nog wel aan God gevraagd: “Heer, bevestig het werk van onze handen.” Maar of God dat gebed verhoort, dat moet je nog maar afwachten.
Al met al niet zo’n vrolijke psalm. Een psalm vol moedeloosheid. En vol gelatenheid. Een psalm zonder veel hoop.
Die ballingen in Babel waren er ook zo aan toe. Ze leefden nog wel, maar hoop hadden ze niet meer. Ze waren ook moedeloos, uitgeput. En ze hadden geen verwachting meer van de toekomst. Het mooie lag achter ze. Dat wisten ze. Toen was Jeruzalem er nog. Hun mooie stad. Daar woonden ze in vrijheid. Maar dat was inmiddels al lang geleden. Nu woonden ze in Babel. Ja, ze leefden nog wel, maar daar was dan ook alles mee gezegd. Ja, wat doe je dan? Een beetje roeien met de riemen die je hebt. En afwachten. Maar je weet dat het niks meer kan worden.
Die ballingen hebben ook geen hoop meer op God. Ze zeggen: “Mijn weg blijft voor de Heer verborgen. Mijn God heeft geen oog voor mijn recht.”
En dan staat daar tussen die ballingen die profeet op. Die tweede Jesaja. Hij weet heel goed hoe die ballingen denken. Hij zal het ook wel begrijpen. Maar hij plaatst er iets tegenover. Hij begint weer over God. Hij heeft het eerst niet over de ellende van die ballingen – dat doet hij straks wel weer – maar hij wil eerst iets laten zien van God. En dan zegt hij tegen die ballingen:
Kijk eens omhoog. Zie je al die sterren? Zie je hoeveel het er zijn? En zie je dat ze steeds weer op een andere plaats aan de hemel staan? Wat zit daar nou achter? Nou, zegt die profeet, wat daarachter zit is de oneindige kracht van God. Die enorme kracht van God zorgt ervoor dat al die sterren zo langs de hemel bewegen. En daarbij weet God ook precies wat hij doet. God heeft overzicht over al die sterren en hij kent ze allemaal bij name, stuk voor stuk.
Die profeet zegt: Die enorme kracht van God was er altijd al. Die is er altijd al geweest. En die kracht zal er in de toekomst ook altijd zijn, eeuw in eeuw uit. Want God raakt ondanks al zijn inspanningen nooit uitgeput. Hij wordt nooit moe.
God is dus heel anders dan mensen. Want die worden wel moe. En die raken wel uitgeput. Dat geldt ook voor die ballingen in Babel. Ze zijn uitgeput, doodop. Ze kunnen niet meer verder. Maar het geldt ook voor die wrede Babylonische soldaten. Ze zien er jong en sterk en stoer uit. Maar aan het einde van de dag zijn zij ook moe. Dan vallen ze als een bom in slaap, ook al lijken ze nog zo krachtig.
En dat is bij God totaal anders. Hij raakt nooit uitgeput. Hij blijft steeds vol kracht, jaar in jaar uit, eeuw in eeuw uit.
Nou, meneer de profeet, bedankt voor de informatie. Leuk om dat te weten! Leuk voor God dat hij zo sterk is. Jammer voor ons. Wij zijn maar mensen.
Nou, nee, zegt die profeet. En zo is het dus niet. Want wij mensen mogen verbonden zijn met die eeuwige God, die God die nooit moe wordt en die zo oneindig veel kracht heeft. En als je verbonden bent met die God, dan gebeurt er ook iets met jou. Dan krijg je van God ook die oneindige kracht. Dan krijg je zelf ook die kracht van God. Dan wordt het bij jou net als bij God. Je wordt niet meer moe. Je was doodop, maar je kunt ineens rennen en je wordt net zo sterk als een arend, die zomaar op eigen kracht kan vliegen!
Hoe zouden die ballingen gereageerd hebben? Het klinkt allemaal niet zo realistisch. Mensen die zo veel kracht krijgen dat ze kunnen opvliegen als een arend? Kijk liever nuchter om je heen. Onze stad is verwoest. En we zitten hier als ballingen in een vreemd land!
En toch krijgt die profeet gelijk. Want niet veel later stort dat krachtige Babylonische rijk in. Dan blijkt dat niet de Babyloniërs de macht hebben op aarde, maar dat God de macht heeft op aarde. En de ballingen maken mee waar ze niet meer op durfden te hopen: ze mogen terug naar hun land en ze mogen hun stad herbouwen. Een nieuw begin. Helemaal onverwacht.
We hebben vanmorgen ook gelezen over Hanna, die oude vrouw die dag in dag uit in de tempel is. Ze is al ontzettend oud. In de oude vertaling stond dat ze ongeveer 84 jaar oud was. Maar eigenlijk staat er dat ze al 84 jaar weduwe is, na zeven jaar huwelijk. Haar man was jong gestorven. En dat betekent dat Hanna ouder dan honderd moet zijn. Dat komt in onze tijd niet vaak voor en dat kwam ook in de tijd van de Bijbel niet vaak voor. Maar soms wel, bijvoorbeeld bij Hanna. Stokoud is ze. Op sterven na dood, zou je bijna zeggen. Maar nee, dat is ze helemaal niet. Ze is springlevend en ze verwacht nog heel veel van de toekomst. Ze verwacht nog heel veel van God. En als Jozef en Maria de tempel binnenkomen met hun kindje maakt ze dat ook duidelijk, want dat praat ze over dat pasgeboren kind met alle anderen in de tempel die ook veel van God verwachten.
Ik denk dat je bij Hanna ziet waar die profeet van lang geleden het over had: Ze is verbonden met die krachtige God, en dat geeft haar ook ongelooflijk veel kracht. Ze is niet moedeloos en ze denkt niet negatief, ook al ziet ze er ongetwijfeld behoorlijk oud uit. Van binnen is ze ijzersterk. En als ze in de tempel dat kindje ziet is ze misschien wel sterker dan ze ooit geweest is.
Zo is het dankzij God. De kracht die we nu al hebben is kracht die we van God krijgen. Die kracht raakt niet op maar die krijgen we steeds opnieuw, dag in dag uit, jaar in jaar uit, eeuw in eeuw uit.